Mijn ouders zijn 80 en 83 jaar, wonen nog zelfstandig, hebben een traplift, aangepaste WC en douche, thuiszorg en zijn tevreden met alles wat ze hebben. Toen ik dat laatst tegen iemand zei, was het commentaar: ‘Maar ze bezetten wel een hele eengezinswoning met z’n tweeën, dat vind ik a-scoiaal’. Ik ken nog wel meer van die ‘a-sociale’ bejaarden. Ze hebben vaak hun hele getrouwde leven in dat huis gewoond. Laat ze fijn blijven wonen tussen mensen van alle leeftijden. Het houdt ze  bij de tijd, geeft ze het gevoel dat ze er nog bij horen…’

 

G.W, Nijmegen

 

Vroeger gingen veel mensen kleiner wonen als de kinderen de deur uit waren. Tegenwoordig is het een trend om juist groter te gaan wonen. Als je niet meer werkt, begin je ook aan een leven waarin je als paar veel meer tijd samen in dat huis zult doorbrengen. En ieder toch ook een beetje ruimte wil hebben voor een eigen leven, en met name: eigen hobby’s.

Vandaar dat nogal wat vutters verhuizen naar een groter huis, met een grotere living en kamers waar men zich terug kan trekken voor de eigen bezigheden. Waarom zou je per se klein moeten gaan wonen, als je eenmaal bejaard bent? Juist omdat je actieradius in de buitenwereld so wie so al kleiner wordt, is het heerlijk om in je eigen vertrouwde omgeving goed uit de voeten te kunnen.

Ooit ontmoette ik tijdens een conferentie een interim-manager die een interessante visie op zijn eigen veroudering gaf. Hij wilde een groot huis kopen en daar met een aantal kennissen en vrienden tussen de 55 en 85 jaar in gaan zitten. Ieder zou een eigen appartement hebben. Met gemeenschappelijke logeerruimten voor gasten, en een gemeenschappelijke bibliotheek waar ook gezamenlijk gegeten zou kunnen worden. Horizontale solidariteit zou garant moeten staan voor de onderling dienstverleningen. En ook voor het  in standhouding van de woongemeenschap met tuin. Wat de een niet kan, kan de ander, en omgekeerd. Logistiek heeft het ook veel voordelen, vond hij. Niet allemaal een afzonderlijke krant, wasmachine, droger, grasmaaier en auto.

Een tijdje geleden  las ik in een krant over een viergeneratie familiehuishouding die daarvoor speciaal een oude school had gekocht.  Ieder z’n eigen privacy, duidelijke afspraken over taakverdeling en voor de rest gezelligheid en geborgenheid voor jong en oud. Het sprak mij bijzonder aan. De voordelen ervan lopen in het oog. Wij zouden in zo’n situatie de deur veilig en makkelijk achter ons dicht kunnen gooien, als we eenmaal met vut zouden zijn. Weer thuis van het reizen zouden we de typische hand- en spandiensten van vitale grootouders kunnen verrichten die de drukke dagindeling van onze kinderen kunnen verlichten: oppas, boodschappen doen, eens een keer koken. Mocht de ouderdom te zijner tijd met gebreke n komen, dan zouden we ook op ze terug kunnen vallen. Eenrichtingverkeer hoede dat niet te worden, er valt altijd wel iets terug te doen.

Het CDA heeft een tijd geleden bepleit in Nederland echte driegeneratiehuizen te gaan bouwen. Dan kunnen (groot)ouders bij hun (klein)kinderen gaan inwonen. Of kinderen bij hun bejaarde ouders. Hoe haalbaar is dat. Vroeger waren drie generaties onder een dak heel gewoon. Dat had ook te maken met pure noodzaak: hun materiele en fysieke overleving was gediend met een gezamenlijke inspanning van zoveel mogelijk handen. Dat hoefde ook niet zo georganiseerd te worden, dat ging vanzelf in een land waar vele mensen boeren, ambachtslieden of middenstanders waren, en er geen scheiding bestond tussen wonen en werken.

Veranderende denkbeelden over privacy, de scheiding tussen wonen en werken, en de grote mobiliteit die we tegenwoordig hebben, hebben aan die driegeneratiehuishouding een einde gemaakt. Nu de verzorgingstaat steeds meer afbrokkelt, wordt solidariteit binnen de generaties opeens weer belangrijk. Steeds meer moeten we het weer van onze familie hebben. Dat idee van de generaties onder een dak is dan ook aan een maatschappelijke herwaardering toe. Omdat het weer ons aller overleving dient: fysiek, psychisch en ook financieel.