Het veertig gevoel hoofdstuk 1

Traag,  ontwakend uit een diepe slaap,  staarde Isabelle De la Porte naar die oplichtende datum op haar klokradio: 9 december 2002 . Wat meer bij kennis besefte ze: er iets met die datum. Maar wat? Tegenstribbelend wrong ze zich naar de uithoeken van haar geheugen. Het gevoel van urgentie wilde maar geen bepaalde vorm aannemen. Wel nam het lawaai van een man die douchte, en twee kinderen die energiek rond stommelden, steeds meer bezit van haar slaapkamer en haar oren. Ze haalde gelaten haar schouders op. Wat zou zich in deze tijd van december – kort na Sinterklaas en nog bijna twee weken verwijderd  van Kerstmis – noodzakelijkerwijs moeten herinneren? Een ding wist ze wel zeker: de kerstvakantie naderde. En daarmee het voornemen om haar vrije tijd met een zekere wellustige doelloosheid te gaan besteden.

Ze stond huiverend op, schoof de gordijnen open en staarde in een dag die twijfelde tussen licht en donker. Waarschijnlijk zou het wel weer een zonnige, maar koude dag worden.  Het was ongekend vroeg serieus gaan vriezen, en er werd al overal geschaatst. Vandaag had ze niet veel omhanden. Haar werkster kwam, ze ging zelf ook her en der wat opruimen, boodschappen doen voor het weekeinde, en wat post afhandelen. Vervolgens moest ze zich dan om half twee melden bij de school van haar dochter Julia. ‘We willen morgen met de twee hoogste klassen gaan schaatsen’, deelde Suzanne de ‘juf’ van Julia,  haar gisteren telefonisch in de namiddag mee. ‘Maar we hebben daar nog een paar ouders bij nodig’. Isabelle aarzelde, reageerde niet direct positief. Het leek alsof Suzanne, met wie ze een goed contact had, haar gedachten kon lezen. ‘Je weet dat ik het ook vervelend vind om altijd een  beroep op dezelfden te moeten  doen. Maar ik durf het je te vragen omdat je mij heb toegezegd dat je eventueel op vrijdagmiddag beschikbaar kon zijn’. Reden voor Isabel om gelaten te zuchten: ‘Dat is waar’. Ze had als docente Engels op een havo/vwo-college een gunstig rooster. Met lesuren verspreidt over vier aaneengesloten dagen en daardoor de vrijdag vrij.

Vermoeid, maar met een tintelend, vitaal gevoel kwam ze die middag om half vijf weer thuis. Julia was nog even met een vriendinnetje uit de nabije buurt mee gegaan. Ze stak de sleutel in het slot van haar huisdeur, gaf hem met haar schouder nog een duwtje, want hij klemde. ‘We moeten daar nu toch eindelijk eens een keer naar laten kijken’, bedacht ze, voor de zoveelste keer.

‘O, Willem is al thuis’, drong het even later tot haar door. Zijn jack aan de kapstok verraadde zijn aanwezigheid nog voordat ze hem echt gewaar werd. Gezellig om zo samen al aan het weekend te beginnen. Terwijl ze allerlei spullen uit haar tas haalde en haar muts in het daarvoor bestemde mandje boven op de kapstok mikte, kwam weer dat tijdloze beeld –broosverse herinneringen aan het bevroren meer  – op haar netvlies. Het honingblonde riet, het roerloze water met zijn zilveren, glanzende  korst, de kleurige kluwen kinderen met snottebellen, opgewonden stemmertjes, rode wangen en schaatsen in allerlei soorten en maten

Te midden van al die uitbundige, onoverzichtelijke beweeglijkheid dook Juul, met haar  rechte figuurtje en haar rode jack, steeds  als een vertrouwd herkenningspunt op. Ze had dat stalen, afstandelijke snoetje dat kinderen zich aanmeten, wanneer een moeder of vader in een schoolsituatie opdoemen, en zich er daadwerkelijk mee gaan bemoeien. Maar dat staal werd vloeibaar door een triomfantelijk lachje als ze langs gleed op haar nieuwe schaatsen en tersluiks vroeg: ‘Mam, hoe vind je dat ik het doe?’ Elf was ze nu, haar benen waren langer geworden, in haar gezicht werd het kind dat ze al die jaren was geweest, weg geboetseerd door de puberteit. Kaaklijn en neus veranderden, kregen een wat robuustere vorm. En op haar lichaam begonnen borstjes zich parmantig te ontwikkelen.

Willem stapte de gang binnen. ‘Hallo hoe was het?’.

‘Erg leuk, maar wel koud’.

Ze liep naar boven naar de badkamer om haar schaatskleding n uit te trekken en iets anders aan te doen. Even later stak Willem vragend zijn hoofd om de deur: ‘Kan ik er ook even bij?’ Ze hadden weliswaar twee wastafels met spiegels, maar het was een ongeschreven wet dat degene die daar bezig was, zo veel mogelijk het rijk alleen had.

‘Moet je nog weg?’ Isabelle keek hem na terwijl hij naar de inloopkast liep die op hun badkamer aansluit.

‘Heb ik je gisteren niet verteld dat er om zes uur een vergadering is van het stafconvent? Ik moet invallen voor Michel want zijn vrouw is net bevallen van een dochter’.

‘Weer een?’

‘Ja, dit keer hadden ze natuurlijk graag een zoon gehad. Maar drie dochters heeft ook wel iets, vonden ze’.

‘Er zit iets afgemetens in zijn stem’, constateerde ze terwijl ze gefascineerd keek naar de  metamorfose als heer die hij onderging. Daar had hij alles voor in huis. Blond dik haar, blauwgrijze ogen, regelmatig gezicht, grote handen, grote voeten: zo’n echte Nederlander. Alles wat hij aantrok, stond hem goed. In dagelijkse doen gaf hij de voorkeur aan een jeans of andere makkelijke broek, poloshirt of overhemd met korte mouwen. Eenmaal in het ziekenhuis trok hij immers een witte jas aan, het uniform van medisch specialisten. Wanneer hij tenminste niet opereerde, want dan moest hij zich van top tot teen in een onflatteuze steriele verpakking hijsen. Ze keek met een schuin oog hoe hij voor zijn eigen wastafel en spiegel zijn das strikte: zijn hals gespannen, zijn kin naar voren, zijn mond als een driehoek boven het streepdessin.

Hun blikken  kruisten elkaar in de spiegel, hij draaide zich naar haar toe, en zei nors: ‘Die Duitser, Max, heeft gisteravond, na het eten, toen je even bij de buren was, gebeld’. Ze voelde haar hartslag versnellen, ontweek zijn blik door een gevallen handdoek van de grond te rapen. Wist even niet wat ze moest zeggen. Er viel een stilte tussen hen die Willem verbrak met de mededeling: ‘Hij zou vanavond rond half acht terug bellen’. Ze keek hem aan, zag hoe zijn kaken zich spanden. ‘Nou dan ga ik maar, tot straks. We eten eerst wat in het ziekenhuisrestaurant, daarna vergaderen dus het zal wel een uur of negen, half tien worden’.

Terwijl hij uit het zicht verdween, verzamelden de herinneringen zich in haar, namen allerlei vormen aan en stormden vastbesloten op haar af. Dat was het dus.  Die vage onrust vanmorgen bij een blik op de klokradio.  Ze wist zeker dat die datum 9 december iets bijzonders te betekende, maar er wilde haar niets te binnen schieten. Was ze het echt vergeten of had ze het verdrongen? Omdat ze opzag tegen al die vermoeiende emoties die een  hernieuwd contact met hem zouden op roepen?  Even voelde ze ergernis over één zo’n telefoontje dat opeens, totaal onverwacht, je verleden voor je voeten gooit, aan je plannen en perspectief knaagt. Maar er was ook vertedering: Wie komt er nu na vijf jaar nog zo’n dwaze belofte en dwaze afspraak na? Typisch Max.

‘Mam, wanneer ga we eten?’, Het ongeduld in die vraag van haar zoon Tijn, onder aan de trap, bracht haar terug in de realiteit. Hij leek sprekend op haar met zijn bijna zwarte,  krullende haar en donkere ogen. Ze liep de trap af naar beneden. ‘Wat eten we eigenlijk?’, vroeg Julia, inmiddels ook weer thuis. ‘Nog niet over nagedacht’, realiseerde Isabelle zich. ‘Een van jullie moet maar even frietjes halen, dan maak ik er sla met ei, tomaatjes  en tonijn bij’. ‘Lekker’, liet haar dochter weten, terwijl ze de staart die zij bij het schaatsten van haar blonde haren had gemaakt, ontdeed van een elastiekje. Eenmaal beneden ging Isabelle, in een behoefte even bij te komen, in een van rieten stoelen in de serre zitten. Daarmee verschafte ze zich een royaal uitzucht op de grote tuin waarin de bomen hun skelet lieten zien: stramme stammen met vertakkingen die symmetrisch dansten in de wind.  De metaalgrijze lucht was  inmiddels verwaast tot nachtzwart. Ze had zich deze avond anders voorgesteld. Voelde weer de ergernis over al die avonden dat ze alleen thuis was. Die vergadering op vrijdag één keer in de maand was  tot daar aan toe, maar aan die nacht- en weekenddiensten die Willem als chirurg had, wende ze nooit. Maar ja, patiënten hadden iets dat zij niet had. Ze waren ziek, zwak, op sterven na dood. De lijdende mensheid bestond uit een nooit eindigende voorraad. Als gezonde echtgenote van een arts heb je dan geen recht van spreken. Tenzij je natuurlijk zelf ziek wordt.

‘Vijf jaar, waar is de tijd gebleven?’, vroeg ze zich af. Toen was ze 37, Max 45 jaar. Wat moest ze in vredesnaam tegen hem zeggen? Hoe  stelde hij zich een ontmoeting voor? Wat hadden de jaren met hem gedaan? Ze had zich resoluut afgesloten voor zijn drang tot verder contact.  ‘Over vijf jaar zien we elkaar weer’, eiste hij toen resoluut. ‘Op de datum van onze eerste ontmoeting: 9 december’. Hij bleef aanhouden. ‘Beloofd? Echt doen hè ?’ Een beetje bibberig had ze ‘ja’ geknikt, terwijl de tranen langs haar wangen biggelden. Hij sloeg nogmaals zijn armen om haar heen: ‘Liebe, liebe Emanzi’. Ze had zich losgewrongen uit  hun omhelzing. Liep weg zonder om te kijken, maar voelde zijn aanwezigheid overal. De druk van zijn lichaam, zijn lippen en zachte tong, de geur van zijn after shave op haar wangen en de fluistering van zijn  woorden echode in haar oren. Door een merkwaardig toeval hadden ze elkaar later in juni  toch nog ontmoet in Amsterdam. Daarna vernam ze, op een paar korte telefoontjes na of e-mailtjes na, niets meer van hem.

‘Mag ik nou frietjes halen”. Tijn stond voor haar, een en al slungeligheid. Hij was haar al bijna boven het hoofd gegroeid. Dertien, tweede klas VWO, maar niet op de school waar zij  Engels geeft, hadden ze samen besloten. Zij wilde  in de docentenkamer geen verhalen over hem horen. Hij op school geen verhalen van leerlingen over haar. Ze stond op, gaf hem geld, ging naar de keuken om de eieren te koken, trok een blikje tonijn open, sneed wat tomaatjes en maakte de sla klaar.  Al etend luisterde ze, een beetje afwezig, naar de gesprekken van haar kinderen.‘Mam, wat zeg je weinig’. Julia  keek haar onderzoekend met haar grijsblauwe ogen aan. ‘Beetje moe van het schaatsen zeker. Je deed het anders hartstikke goed’. Isabelle knikte bevestigend. In haar geheugen flitste het beeld van bevroren grachtjes in Leiden op. Daarop had ze schaatsen geleerd. Vervolgens herinnerde ze zich de eindeloze ijsvlakten van De Kaag en de Brasem, meren in de buurt van Leiden, waarop ze lange tochten had gemaakt.

Terwijl de kinderen naar een of andere tv-serie keken in een hoek van de huiskamer, zocht ze haar stoel in de serre weer op. Inmiddels was  het half acht. De telefoon zweeg nog steeds. Ze wist niet wat ze liever had. Dat ie bleef zwegen of toch ging rinkelen, en staarde vanuit het raam de tuin in, naar niets in het bijzonder. Gedachten aan Max tuimelden over haar heen. Ze voelde zich weerloos overvallen door het verleden. Hoe kon één week, die al weer vijf jaar geleden was, haar leven opeens zo op z’n kop zetten?’ Ze balde  haar handen die moedeloos en zwaar op haar dijen lagen, tot vuisten. Wat was toen werkelijkheid, wat begoocheling, wat illusie?

‘Ik had toen mijn eigen werkelijkheid. Als ik ooit in het nu heb geleefd, totaal en volmaakt, dan was het wel toen. Alles wat er voor was en daarna kwam heeft daar niets op af kunnen dingen. Ik heb geen enkel reden om te zien in wrok, schaamte of verlegenheid’. Ze schrok een beetje van de stelligheid van die gedachte. Stond vervolgens vastbesloten op. Er moest nog ergens een dagboek zijn. Met een kaft van oranjeroze Chinese zijde  waarop twee geborduurde pauwen afgebeeld stonden. Daarin had ze de gebeurtenissen en gevoelens van toen beschreven, en ook die enorme crisis in haar huwelijk die daarna volgde. Ze liep naar boven naar haar werkkamer, die volgens Willem zo ‘helemaal Isabelle’ was’. Haar verleden en heden kruisten hier elkaar. In de boekenkasten, de foto’s aan de muur en de in papier gestolde herinneringen binnen de kloeke antieke kast die nog van haar overgrootmoeder was geweest. Vol fotoalbums, scripties, studieboeken, ordners, dozen met dierbare prullaria. Ze kwam agenda’s tegen uit haar gymnasiumjaren, een uitgebreide briefwisseling met een jaargenote uit Amsterdam, ansichtkaarten van haar grootouders op vakantie, een poesiealbum van haar moeder, stapels tekeningen en korte briefjes van haar kinderen en dummy’s van drie boeken die ze vanuit het Engels in het Nederlands had vertaald. Thuiswerk, dat ze de eerste vijf jaar van haar moederschap had gedaan. Ook daarom besloot ze toen 1997 met een week vakantie in haar eentje af te sluiten, besefte ze opeens. Want na de kerstvakantie zou ze als docente op het scholengemeenschap te beginnen waar ze nu nog werkte.

Waar was dat dagboek?  Had ze het dan toch weggegooid? Bijna moedeloos schudde ze de één na laatste doos leeg en zag een boekje met een rozerode kaft en twee pauwen op de grond ploffen. Op de eerste bladzijde stond: Kaprun  9 december 1997. Haar eerste reactie was  het weer dicht te doen. Toen hoorde ze beneden de tune van haar mobieltje . Ze rende de trap af, probeerde op adem te komen.

‘Met Max. Kaprun, 9 december, vijf jaar geleden, weet je het nog?’ Even had ze moeite met het Duits. Hij lachte erom: ‘Je hebt de laatste jaren kennelijk niet veel meer geoefend. We hadden elkaar eigenlijk op deze dag moeten zien’, legde hij vervolgens  uit, ‘ik ben dat dus niet vergeten. Maar ik moet voor een paar maanden naar Amerika, ben dus pas eind april  terug. Noteer alvast het tweede weekend in mei, dan logeer ik drie dagen in Huis Ter Duin in Noordwijk. Dat lijkt mij bij uitstek een mooie gelegenheid om elkaar weer te ontmoet. Ik mail je te zijner tijd wel over de details. Gaat alles goed met je. Nog steeds bij je echtgenoot?’

Ze negeerde zijn vraag, vroeg hoe het met hem ging. Hij verloor zich in een stortvloed aan woorden. ‘Helemaal niets veranderd’, constateerde ze aan het eind van hun gesprek. Die snelle manier van praten, de enorme energie waarmee hij in het leven staat. Gelukkig was mei nog ver weg. Ze deed een potje pesten met haar kinderen, ging daarna nog even naar  hun kamers waar ze al in bed lagen. Voelde zich weer vreemd ontroerd door de enige liefde, die –zo niet helemaal onbaatzuchtig, dan toch alles trotserend en levenslang kan zijn – die tussen moeder en kind. Willem trof haar om half elf verzonken in haar dagboek aan. ‘Het is wat later geworden dan ik dacht’, zei hij, ongewoon bedremmeld voor zijn doen. ‘Ben nog even met een paar lui naar het café gegaan’. In bed draaide hij direct zijn rug naar haar toe. Isabelle was gewend geraakt aan in ieder geval een wederzijdse kus en de wens : ‘Slaap lekker’. Kennelijk had hij er de pest over in. Even later hoorde ze hem snurken.

De pauwen op het boek bestonden uit een mannetje en een vrouwtje, zag Isabelle de volgende dag nu voor het eerst. Wat een symboliek. Hij spreidde zijn prachtige verentooi in een halve cirkel, zij stond erbij en keek er naar. Zo was dat bij haar aanvankelijk ook geweest, besefte. Max haalde bij hun eerste  ontmoeting direct alles uit de kast. Zij negeerde al die speciale aandacht toen. ‘Wat is dat voor iets?’, vroeg Willem nieuwsgierig, toen hij haar de volgende dag in het boekje zag bladeren. ‘Een dagboek dat ik toen, in Kaprun heb bijgehouden, en ook de maanden daarna’. Ze klapte het dicht, stond gehaast op uit haar stoel in de serre, en bracht het terug naar haar werkkamer.

Het  telefoontje van Max en het dagboek bleef de hele week  tussen Willem en haar in liggen, als een rotsblok dat het zicht en de greep op elkaar belemmerde. ‘Je gaat hem dus ontmoeten?’ vroeg hij onomwonden, haar strak aankijkend. Ze knikte instemmend. ‘Als hij zich aan die afspraak houdt, wel’.  Haar besluit stond vast, maar ze had het nog maar even bij zich gehouden, niet hardop willen uitspreken. Dat zou haar verplichten tot allerlei verklaringen en moeizame discussies.

En inderdaad: hij kon geen begrip opbrengen voor haar summiere uitleg, luisterde niet eens. ‘Waarom, waarom?’, sputterde hij, zijn krant met een boos gebaar naast zich neergooiend. ‘Het gaat nu goed met ons. We zijn toch gelukkig samen?’ Ze knikte bevestigend, pakte zijn hand. ‘Maak je geen zorgen. Mei is nog ver weg. Bovendien zou het mij niet  verbazen als hij die afspraak toch weer afzegt, omdat er plotseling iets tussen is gekomen’. Hij haalde moedeloos zijn schouders en liep vervolgens gekrenkt weg.

Wat is dat toch met mannen, dat ze nooit eens echt willen praten over wat hun ten diepste beroerd. Wat is er zo bedreigend aan gevoelens, aan je zelf bloot geven? Die angst daarvoor maakte dat  hij toch niet snapte wat haar werkelijk naar een ontmoeting met Max dreef. Dat was niets meer of minder dan respect  voor het toeval en gehoorzaamheid aan het lot. Intuïtief wist ze dat beiden een vingerwijzing zijn van een ordening die wij maar zeer ten dele kunnen begrijpen. Maar waaraan wij als mensen niettemin  onderworpen zijn. Alles moest ze in die winter van 1997 opeens ter discussie gaan stellen: haar huwelijk, haar moederschap, haar principes. Ze had toen geen flauw benul waarheen al die nieuwe sporen die haar voeten en die van Max zowel in de sneeuw als in hun hart, maakten, zouden voeren.

Ze nam zich voor de komende tijd het dagboek tussen alle bedrijven door nog eens helemaal te lezen.  Het omvatte een jaar van haar leven. ‘A very Close Conspiracy’ , het boek dat Jane Dunn  had geschreven over ‘the lifelong relationship between the sisters Vanessa Bell and Virginia Woolf’, moest maar wachten. Ze had tijdens haar studie een grote fascinatie voor de Bloomsbury-group opgevat, waarvan kunstenaars, intellectuelen en avant-gardisten vóór de Tweede Wereldoorlog deel uitmaakten. Virginia Woolf boeide haar uit die groep het meeste. Als uitgeefster, schrijfster, recensente, oefende zij een grote invloed op het culturele leven tussen de twee wereldoorlogen. Soms in haar meest optimistische buien, nam Isabelle zich voor nog eens te promoveren op de essentie van de ‘Victorian Womanhood’, de gevolgen voor intelligente, begaafde vrouwen toen, en de raakvlakken met het huidige emancipatie-ideaal. Ze was, wat dat betreft, ‘Emanzi’ gebleven.